mordre
01
bijten, happen
serrer quelque chose avec les dents, souvent pour couper ou blesser
Voorbeelden
Il a mordu dans la pomme avec appétit.
Hij beet met eetlust in de appel.
02
bevallen, aanspreken
plaire, convenir ou être apprécié
Voorbeelden
Sa manière de parler mord à ses collègues.
Zijn manier van spreken bijt zijn collega's.
03
steken, bijten
piquer ou infliger une douleur aiguë, souvent par un insecte
Voorbeelden
La guêpe a mordu sa main.
De wesp heeft zijn hand gebeten.
04
bijten, afbijten
saisir ou couper avec les dents
Voorbeelden
Elle a mordu dans le croissant chaud.
Ze beet in het warme croissantje.
05
inbreuk maken, de grens overschrijden
dépasser une limite ou franchir une frontière
Voorbeelden
L' ombre du bâtiment mord sur le jardin.
De schaduw van het gebouw dringt de tuin binnen.
06
toehappen, in de val lopen
accepter ou se laisser convaincre
Voorbeelden
Ils ont mordu à l' argument présenté.
Ze zijn op het gepresenteerde argument ingegaan.
07
bijten, steken
provoquer une sensation de froid piquant ou intense
Voorbeelden
La neige mord les pieds des passants.
De sneeuw bijt de voeten van voorbijgangers.
08
bijten
laisser une empreinte ou attaquer la surface d'un métal
Voorbeelden
L' eau salée a mordu la coque du bateau.
Het zoute water beet in de romp van de boot.



























