fixer
01
staren, aankijken
regarder intensément sans bouger les yeux
Voorbeelden
Elle fixe l' horizon en silence.
Ze staart in stilte naar de horizon.
02
vaststellen, bepalen
déterminer ou établir quelque chose de manière précise
Voorbeelden
Ils vont fixer le prix demain.
Zij gaan morgen de prijs vaststellen.
03
zich vestigen, zich settelen
s'établir quelque chose de manière durable
Voorbeelden
Les oiseaux se fixent près des lacs en été.
De vogels vestigen zich in de zomer bij meren.
04
vastmaken, bevestigen
rendre stable ou immobile
Voorbeelden
Elle fixe le tissu avec des épingles.
Ze bevestigt de stof met spelden.
05
zichzelf stellen, zichzelf vaststellen
déterminer ou établir pour soi-même
Voorbeelden
Il s' est fixé comme règle de ne jamais mentir.
Hij stelde het zichzelf als regel om nooit te liegen.



























