Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to govern
01
regeren, beheren
to officially have the control and authority to rule over a country and manage its affairs
Transitive: to govern a country
Voorbeelden
Elected leaders govern the nation, making decisions for the welfare of its citizens.
Gekozen leiders regeren de natie, nemen beslissingen voor het welzijn van haar burgers.
02
regelen, controleren
to regulate or control a person, course of action or event or the way something happens
Transitive: to govern sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
govern
3e persoon enkelvoud
governs
onvoltooid deelwoord
governing
onvoltooid verleden tijd
governed
voltooid deelwoord
governed
Voorbeelden
The new laws will govern how companies can handle customer data to ensure privacy and security.
De nieuwe wetten zullen regelen hoe bedrijven klantgegevens kunnen verwerken om privacy en veiligheid te waarborgen.
03
regeren, beheersen
to direct or manage someone's actions or behavior
Transitive: to govern behaviors or actions
Voorbeelden
She tried to govern her temper during the heated argument.
Ze probeerde haar humeur te beheersen tijdens het verhitte debat.
04
regeren, beheersen
(of a word) to require or dictate that another word or group of words take a specific grammatical form
Transitive: to govern a word
Voorbeelden
The verb "to give" governs both the indirect and direct objects in a sentence.
Het werkwoord "geven" regeert zowel het indirecte als het directe object in een zin.
Lexicale Boom
governable
governance
governing
govern



























