Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to ordain
01
gelasten, verordenen
to officially order something using one's higher authority
Transitive: to ordain sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
ordain
3e persoon enkelvoud
ordains
onvoltooid deelwoord
ordaining
onvoltooid verleden tijd
ordained
voltooid deelwoord
ordained
Voorbeelden
The religious leader ordained a day of fasting and prayer for the community.
De religieuze leider bepaalde een dag van vasten en gebed voor de gemeenschap.
02
wijden, aanstellen
to officially confer or appoint someone to a position, typically within a religious context such as the priesthood
Transitive: to ordain sb
Voorbeelden
The bishop ordains new priests during the annual ceremony at the cathedral.
De bisschop wijdt nieuwe priesters tijdens de jaarlijkse ceremonie in de kathedraal.
03
beschikken, voorbeschikken
(of a higher power) to prearrange or predestine something
Transitive: to ordain an event
Voorbeelden
It is believed that fate had ordained their meeting, as if their paths were destined to cross.
Men gelooft dat het lot hun ontmoeting had beschikt, alsof hun paden bestemd waren om elkaar te kruisen.
Lexicale Boom
ordained
ordainer
preordain
ordain



























