Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
little
Voorbeelden
The little cottage nestled among the trees was the perfect retreat for a quiet weekend getaway.
Het kleine huisje verscholen tussen de bomen was de perfecte retreat voor een rustig weekendje weg.
1.1
klein, minuscuul
(of a person) physically short and small compared to others
Voorbeelden
The little boy struggled to reach the cookies on the top shelf.
Het kleine jongetje had moeite om de koekjes op de bovenste plank te bereiken.
Voorbeelden
The daycare center is designed to cater to the needs of little kids.
Het kinderdagverblijf is ontworpen om te voldoen aan de behoeften van kleine kinderen.
03
klein, onbelangrijk
of minor significance
Voorbeelden
The minor errors in the report were deemed little and did not affect the overall evaluation.
De kleine fouten in het rapport werden als onbeduidend beschouwd en hadden geen invloed op de algehele evaluatie.
Voorbeelden
The movie is just a little over an hour long.
De film duurt maar iets meer dan een uur.
04
bekrompen, kleinzielig
narrow-minded or lacking in intellectual depth
Voorbeelden
His little thoughts were always focused on trivial matters.
Zijn kleine gedachten waren altijd gericht op triviale zaken.
little
01
weinig, een beetje
used to indicate a small degree, amount, etc.
Voorbeelden
There is little milk left in the fridge.
Er is weinig melk over in de koelkast.



























