Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
laufen
01
rennen, zich snel verplaatsen
Schnell mit den Füßen bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
laufe
3e persoon enkelvoud
läuft
onvoltooid deelwoord
laufend
onvoltooid verleden tijd
lief
voltooid deelwoord
gelaufen
Voorbeelden
Ich laufe jeden Morgen.
Ik ren elke ochtend.
02
lopen
Sich in normalem Tempo gehend fortbewegen
Voorbeelden
Ich laufe zur Arbeit.
Ik loop naar het werk.
03
stromen
Sich als Flüssigkeit bewegen
Voorbeelden
Das Wasser läuft in den Abfluss.
Het water stroomt in de afvoer.
04
vorderen, voortschrijden
Ablaufen oder sich entwickeln
Voorbeelden
Die Verhandlungen laufen positiv.
De onderhandelingen verlopen positief.
05
werken, functioneren
Technisch funktionieren
Voorbeelden
Der Kühlschrank läuft 24 Stunden am Tag.
De koelkast draait 24 uur per dag.
06
geldig zijn, van kracht zijn
Rechtliche Gültigkeit besitzen
Voorbeelden
Mein Visum läuft noch 6 Monate.
Mijn visum loopt nog 6 maanden.



























