Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
venir
01
komen
se déplacer pour rejoindre la personne qui parle ou un lieu où elle se trouve
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
viens
1e persoon meervoud
venons
1e persoon toekomende tijd
viendrai
onvoltooid deelwoord
venant
voltooid deelwoord
venu
1e persoon meervoud imperfectum
venions
Voorbeelden
Elles viennent souvent ici le week - end.
Ze komen vaak hier in het weekend.
02
komen van, afkomstig zijn van
avoir pour origine une cause ou une source
Voorbeelden
Tout cela vient de la peur.
Dit alles komt uit angst.
03
komen, aankomen
désigner quelque chose ou quelqu'un qui approche dans le temps
Voorbeelden
Le temps des examens vient vite.
De tijd van de examens komt snel.
04
groeien, zich ontwikkelen
se développer ou croître naturellement dans de bonnes conditions, souvent à propos des végétaux ou récoltes
old use
Voorbeelden
Le blé vient mal sur cette terre pauvre.
De tarwe groeit slecht op deze arme grond.
05
gaan houden van
commencer à éprouver un intérêt, une attirance ou un goût pour quelque chose ou quelqu'un
Voorbeelden
Nous sommes venus au sport grâce à des amis.
Kwamen we bij de sport dankzij vrienden.



























