Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
venir
01
komen
se déplacer pour rejoindre la personne qui parle ou un lieu où elle se trouve
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
viens
1e persoon meervoud
venons
1e persoon toekomende tijd
viendrai
onvoltooid deelwoord
venant
voltooid deelwoord
venu
1e persoon meervoud imperfectum
venions
Voorbeelden
Il vient chez moi ce soir.
Hij komt vanavond bij mij thuis.
02
komen van, afkomstig zijn van
avoir pour origine une cause ou une source
Voorbeelden
Cette idée vient de toi.
Dit idee komt van jou.
03
komen, aankomen
désigner quelque chose ou quelqu'un qui approche dans le temps
Voorbeelden
L'hiver vient bientôt.
De winter komt binnenkort.
04
groeien, zich ontwikkelen
se développer ou croître naturellement dans de bonnes conditions, souvent à propos des végétaux ou récoltes
verouderd gebruik
Voorbeelden
Ce raisin vient bien dans cette région.
Deze druif groeit goed in deze regio.
05
gaan houden van
commencer à éprouver un intérêt , une attirance ou un goût pour quelque chose ou quelqu'un
Voorbeelden
Il est venu à la musique classique après plusieurs années.
Hij kwam na meerdere jaren tot klassieke muziek.



























