Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
blauw, hemelsblauw
de la couleur de l'océan ou du ciel
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
le plus bleu
vergrotende trap
plus bleu
gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
bleu
mannelijk meervoud
bleus
vrouwelijk enkelvoud
bleue
vrouwelijk meervoud
bleues
Voorbeelden
Le ciel est bleu aujourd'hui.
De lucht is vandaag blauw.
02
blauw, heel blauw
d'une viande (généralement du steak) qui est très peu cuite, juste saisie à l'extérieur
Voorbeelden
Il préfère son steak bleu, à peine cuit.
Hij geeft de voorkeur aan zijn biefstuk bleu, nauwelijks gaar.
03
blauw, gekneusd
coloré d'une teinte bleu-violet après une contusion
Voorbeelden
Il avait l'œil bleu après être tombé.
Hij had een blauw oog na zijn val.
Le bleu
01
blauwe plek, kneuzing
marque violacée sur la peau causée par un coup ou un traumatisme
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
bleus
Voorbeelden
Elle a un bleu sur le bras après être tombée.
Ze heeft een blauwe plek op haar arm na het vallen.
02
overall, werkpak
vêtement solide que portent les ouvriers
Voorbeelden
Les mécaniciens portent un bleu pour protéger leurs vêtements.
De monteurs dragen een overall om hun kleding te beschermen.
03
nieuweling, rekrut
personne débutante, en particulier un nouveau soldat ou élève sans expérience
Voorbeelden
Ce bleu ne connaît pas encore les règles du camp.
Deze beginner kent de kampregels nog niet.



























