allonger
01
gaan liggen, uitrusten
se mettre dans une position horizontale pour se reposer
Voorbeelden
Nous nous sommes allongés dans l' herbe pour observer les étoiles.
We gingen liggen in het gras om de sterren te observeren.
02
versnellen, opvoeren
augmenter la vitesse ou accélérer une action
Voorbeelden
Allongeons le rythme pour finir plus tôt.
Versnellen we het tempo om eerder klaar te zijn.
03
uitrekken, strekken
étendre son corps ou ses membres en longueur
Voorbeelden
Allonge ton bras pour attraper ce livre.
Strek je arm uit om dat boek te pakken.
04
verdunnen, verwateren
rendre moins épais en ajoutant un liquide
Voorbeelden
J' ai allongé le potage avec de l' eau pour le rendre moins salé.
Ik heb de soep met water verdund om hem minder zout te maken.
05
verlengen, uitrekken
devenir plus long dans le temps
Voorbeelden
Son discours s' allongeait sans raison valable.
Zijn toespraak verlengde zonder geldige reden.



























