Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
broedsel, nakomelingen
all the young of a bird hatched at the same time, or the young of an animal cared for together
Voorbeelden
The spider guarded her brood carefully, ensuring each of her young emerged safely from their eggs.
De spin bewaakte haar broedsel zorgvuldig, ervoor zorgend dat elk van haar jongen veilig uit hun eieren kwam.
to brood
01
piekeren, tobben
to dwell on one’s troubles or worries in a depressed way
Intransitive
Voorbeelden
After the argument, she sat alone, brooding about what she should have said.
Na de ruzie zat ze alleen, piekerend over wat ze had moeten zeggen.
02
broeden, uitbroeden
to sit on an egg until it hatches
Transitive: to brood bird eggs
Voorbeelden
The bird brooded the eggs until the chicks were ready to hatch.
De vogel broedde de eieren tot de kuikens klaar waren om uit te komen.
03
hangen, dreigend hangen
to stay close or hang over something in a heavy or threatening way
Intransitive
Voorbeelden
The castle ruins brooded on the hilltop, looking eerie against the sunset.
De kasteelruïnes hingen bovenop de heuvel, er griezelig uitzien tegen de zonsondergang.
04
piekeren, mokken
to stay quiet and upset, showing anger or annoyance without saying much
Intransitive
Voorbeelden
He spent the afternoon brooding by the window.
Hij bracht de middag door met piekeren bij het raam.
Lexicale Boom
broody
brood



























