Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
intervenir
01
ingrijpen, bemiddelen
agir pour aider à résoudre un problème ou un conflit
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
interviens
1e persoon meervoud
intervenons
1e persoon toekomende tijd
interviendrai
onvoltooid deelwoord
intervenant
voltooid deelwoord
intervenu
1e persoon meervoud imperfectum
intervenions
Voorbeelden
Le diplomate est intervenu entre les deux pays.
De diplomaat trad op tussen de twee landen.
02
ingrijpen, zich bemoeien met
agir sans y être invité, se mêler d'une situation
Voorbeelden
Il ne faut pas intervenir sans permission.
Je moet niet zonder toestemming ingrijpen.
03
ingrijpen, opereren
faire une opération médicale pour soigner un patient
Voorbeelden
Le docteur est intervenu pour enlever une tumeur.
De dokter greep in om een tumor te verwijderen.
04
plaatsvinden, gebeuren
se produire, arriver dans une situation ou un événement
Voorbeelden
Des changements peuvent intervenir à tout moment.
Veranderingen kunnen op elk moment plaatsvinden.
05
onderbreken, zich bemoeien
prendre la parole pendant que quelqu'un d'autre parle
Voorbeelden
Elle est intervenue pour ajouter une précision.
Ze mengde zich om een verduidelijking toe te voegen.



























