Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
casser
01
breken, kapot maken
mettre quelque chose en morceaux ou l'endommager en le brisant
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
casse
1e persoon meervoud
cassons
1e persoon toekomende tijd
casserai
onvoltooid deelwoord
cassant
voltooid deelwoord
cassé
1e persoon meervoud imperfectum
cassions
Voorbeelden
J'ai cassé un verre en le lavant.
Ik heb een glas gebroken terwijl ik het aan het wassen was.
02
breken, zich breken
se fracturer un os ou endommager une partie du corps en la brisant
Voorbeelden
Il s'est cassé la jambe en skiant.
Hij heeft zijn been gebroken tijdens het skiën.
03
vernietigen, annuleren
annuler une décision juridique ou un jugement
Voorbeelden
La Cour de cassation a cassé le jugement.
Het Hof van Cassatie heeft het vonnis vernietigd.
04
breken, kapot maken
endommager un appareil au point qu'il ne fonctionne plus
Voorbeelden
Il a cassé son ordinateur en renversant de l'eau dessus.
Hij heeft zijn computer kapot gemaakt door er water op te morsen.
05
ontheffen, ontslaan
retirer officiellement une fonction, un grade ou une responsabilité à quelqu'un
Voorbeelden
Le soldat a été cassé de son grade après la faute.
De soldaat werd uit zijn rang ontheven na het vergrijp.
06
breken, kapotmaken
se briser ou se détériorer (objet, matériel, etc.)
Voorbeelden
La branche s'est cassée sous son poids.
07
er vandoor gaan, verdwijnen
partir rapidement, souvent sans prévenir
Voorbeelden
Il s'est cassé avant la fin de la fête.
Hij is voor het einde van het feest vertrokken.



























