Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to vacate
01
opstappen, verlaten
to give up a job, post, or position voluntarily
Transitive: to vacate a job position
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
vacate
3e persoon enkelvoud
vacates
onvoltooid deelwoord
vacating
onvoltooid verleden tijd
vacated
voltooid deelwoord
vacated
Voorbeelden
Despite her passion for education, Mark decided to vacate his teaching position.
Ondanks zijn passie voor onderwijs, besloot Mark zijn onderwijspositie te verlaten.
02
ontruimen, verlaten
to move out of or exit a place that one previously occupied
Transitive: to vacate a place of residence
Voorbeelden
At the end of the academic year, students were required to vacate their dormitory rooms.
Aan het einde van het academische jaar moesten de studenten hun slaapzalen ontruimen.
03
annuleren, herroepen
to cancel or annul a decision, ruling, or order officially
Transitive: to vacate a decision or order
Voorbeelden
The parties involved mutually agreed to vacate the contract.
De betrokken partijen zijn onderling overeengekomen om het contract te annuleren.
Lexicale Boom
vacancy
vacant
vacation
vacate



























