Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
établir
01
vestigen, oprichten
mettre en place quelque chose de durable
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
établis
1e persoon meervoud
établissons
1e persoon toekomende tijd
établirai
onvoltooid deelwoord
établissant
voltooid deelwoord
établi
1e persoon meervoud imperfectum
établissions
Voorbeelden
Ils ont établi une bonne relation avec leurs voisins.
Ze hebben een goede relatie met hun buren opgebouwd.
02
oprichten, vestigen
fonder une institution, une entreprise ou une organisation
Voorbeelden
Mon oncle a établi une boulangerie dans son village.
Mijn oom heeft een bakkerij in zijn dorp opgericht.
03
plaatsen, installeren
placer ou installer quelque chose à un endroit
Voorbeelden
L' artiste a établi ses tableaux dans la galerie.
De kunstenaar plaatste zijn schilderijen in de galerie.
04
zich vestigen
s'installer dans un lieu pour y vivre
Voorbeelden
Beaucoup de familles se sont établies dans ce village.
Veel families hebben zich in dit dorp gevestigd.
05
opstellen, voorbereiden
rédiger ou préparer un document officiel
Voorbeelden
Ils ont établi un rapport complet sur le projet.
Ze stelden een volledig rapport op over het project.
06
vaststellen, bewijzen
prouver ou démontrer quelque chose comme vrai
Voorbeelden
Les chercheurs ont établi l' efficacité du nouveau médicament.
De onderzoekers hebben de effectiviteit van het nieuwe medicijn aangetoond.



























