Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
mourir
01
sterven, overlijden
cesser de vivre
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
meurs
1e persoon meervoud
mourons
1e persoon toekomende tijd
mourrai
onvoltooid deelwoord
mourant
voltooid deelwoord
mort
1e persoon meervoud imperfectum
mourions
Voorbeelden
Les poissons peuvent mourir s' il n' y a pas assez d' oxygène.
Vissen kunnen sterven als er niet genoeg zuurstof is.
02
uitgaan, doven
cesser de brûler ou de produire de la lumière
Voorbeelden
Les flammes meurent à cause de la pluie.
De vlammen doven vanwege de regen.
03
verdwijnen, ophouden te bestaan
disparaître ou cesser d'exister
Voorbeelden
Leur culture est en train de mourir.
Hun cultuur is aan het sterven.
04
verzwakken, afnemen
devenir plus faible ou diminuer
Voorbeelden
L' intérêt pour ce projet meurt avec le temps.
De interesse in dit project sterft met de tijd.
05
op sterven na dood zijn, stervende zijn
être près de mourir
Voorbeelden
Elle se meurt lentement, entourée de sa famille.
Ze sterft langzaam, omringd door haar familie.



























