Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
plagen, pesten
Broers en zussen plagen elkaar vaak als een vorm van speelse scherts.
uitkammen, volume geven
Ze kamde haar haar om het meer volume te geven voor het feest.
uitkammen, zachtjes kammen
Ze kamde de knopen uit haar haar met een zachte borstel.
plagen, spotten
vezels scheiden, uitkammen
kammen, optillen
De ambachtsman kaarde de wollen stof om het een zachte, verhoogde textuur te geven.
scheuren, verkruimelen
Hij scheurde het papier in kleine stukjes voordat hij het in de prullenbak gooide.
plagen, uitdagen
Ze genoot ervan hem met een speelse glimlach te plagen voordat ze wegliep.
plagen, lastigvallen
Ze bleef hem plagen voor een ritje, ook al had hij al meerdere keren nee gezegd.
plager, spotter
plagen, spot
verleidster, kokette
Lexicale Boom



























