Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to sort out
01
opruimen, organiseren
to put or organize things in a tidy or systematic way
Transitive: to sort out items
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
out
basiswerkwoord
sort
tegenwoordige tijd
sort out
3e persoon enkelvoud
sorts out
onvoltooid deelwoord
sorting out
onvoltooid verleden tijd
sorted out
voltooid deelwoord
sorted out
Voorbeelden
After the move, she spent the weekend sorting out her belongings in the new apartment.
Na de verhuizing bracht ze het weekend door met het opruimen van haar spullen in het nieuwe appartement.
02
oplossen, uitzoeken
to resolve a problem or difficulty by finding a solution or answer
Transitive: to sort out a problem or difficulty
Voorbeelden
She offered guidance on how to sort the issue out, providing a step-by-step solution.
Ze bood begeleiding aan over hoe het probleem op te lossen, met een stapsgewijze oplossing.
03
oplossen, disciplineren
to give punishments or consequences to control and enforce obedience in a specific situation
Transitive: to sort out sb
Voorbeelden
The manager sought to sort out the team members who violated company policies by implementing consequences.
De manager probeerde de teamleden die het bedrijfsbeleid overtraden op te lossen door gevolgen te implementeren.
04
opruimen, organiseren
to organize a space by putting things in their proper places and getting rid of any unnecessary items
Transitive: to sort out a space
Voorbeelden
Feeling overwhelmed by clutter, she decided to spend the weekend sorting out her bedroom.
Overweldigd door de rommel, besloot ze het weekend te besteden aan het opruimen van haar slaapkamer.



























