Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to rout
01
verslaan, op de vlucht jagen
to defeat someone or something in a decisive and overwhelming manner
Transitive: to rout an opponent
Voorbeelden
In the political debate, one candidate used compelling arguments to rout their competitors.
In het politieke debat gebruikte een kandidaat overtuigende argumenten om zijn tegenstanders te verslaan.
02
verstrooien, op de vlucht jagen
to cause a group of people or animals to scatter or disperse
Transitive: to rout a group
Voorbeelden
The loud clap of thunder routed the children, who ran indoors for cover.
De harde donderslag verjoeg de kinderen, die naar binnen renden om dekking te zoeken.
03
frezen, uitsnijden
to carve out, gouge, or create a furrow in a material like wood, metal, or earth
Transitive: to rout solid material
Voorbeelden
The machine routed the wooden boards with precision, preparing them for assembly.
De machine freesde de houten planken met precisie, waardoor ze klaar waren voor montage.
04
wroeten, snuffelen
to poke or search around with the snout
Intransitive
Voorbeelden
He watched the pig rout around the pen, its snout digging into the dirt.
Hij keek hoe het varken in de ren rondwoelde, zijn snuit groef in de aarde.
01
menigte, rel
a disorderly and frenzied crowd of people, often characterized by chaos and confusion
Voorbeelden
During the protest, a rout of demonstrators broke through the barricades, overwhelming the police.
Tijdens het protest brak een menigte demonstranten door de barricades, waardoor de politie overweldigd werd.
02
roedel, wolvenroedel
a group of wolves
03
nederlaag, debacle
an overwhelming defeat



























