Zoeken
fallen
01
vallen, neerstorten
Sich aufgrund der Schwerkraft nach unten bewegen
Voorbeelden
Ein Apfel fällt vom Baum.
Een appel valt van de boom.
02
vallen op, samenvallen met
Auf etwas treffen oder damit zusammenfallen
Voorbeelden
Seine Wahl fiel auf das rote Auto.
Zijn keuze viel op de rode auto.
03
afnemen, dalen
Weniger werden oder absinken
Voorbeelden
Die Aktienkurse sind gefallen.
De aandelenkoersen zijn gedaald.
04
vallen
Vom Himmel herunterkommen
Voorbeelden
Die ersten Schneeflocken fallen.
De eerste sneeuwvlokken vallen.
05
vallen
Im Kampf oder durch Gewalt ums Leben kommen
Voorbeelden
Sein Bruder fiel an der Front.
Zijn broer viel aan het front.
06
worden uitgesproken, worden beslist
Ausgesprochen oder entschieden werden
Voorbeelden
Bei der Sitzung fielen harte Worte.
Tijdens de vergadering vielen harde woorden.
07
worden afgeschaft, worden geschrapt
Nicht mehr gelten oder wegfallen
Voorbeelden
Der Anspruch fällt weg.
De claim valt.
08
vallen in, vervallen in
In einen Zustand geraten
Voorbeelden
Das Land fiel in Chaos.
Het land viel in chaos.
09
vallen, worden ingenomen
Eingenommen oder besiegt werden
Voorbeelden
Die Burg fiel dem Feind in die Hände.
10
toevallen
Jemandem zufallen oder gehören
Voorbeelden
Die Wahl fiel auf ihn.
De keuze viel op hem.


























