Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
peindre
01
verven, inkleuren
appliquer de la peinture sur une surface pour changer sa couleur
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
peins
1e persoon meervoud
peignons
1e persoon toekomende tijd
peindrai
onvoltooid deelwoord
peignant
voltooid deelwoord
peint
1e persoon meervoud imperfectum
peignions
Voorbeelden
Elle a peint les meubles en blanc.
Ze heeft de meubels wit geschilderd.
02
schilderen, afbeelden met verf
représenter une image ou un objet avec de la peinture
Voorbeelden
Nous peignons la maison ce week - end.
We verven het huis dit weekend.
03
zich tonen, verschijnen
être clairement visible ou exprimé
Voorbeelden
Ce sentiment se peint dans leurs gestes.
Dit gevoel uit zich in hun gebaren.
04
afbeelden, beschrijven
décrire ou représenter quelqu'un ou quelque chose avec des mots ou des images
Voorbeelden
Le roman peint la vie difficile des travailleurs.
De roman schildert het moeilijke leven van de arbeiders.



























