Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
défiler
01
paraderen, in een optocht meelopen
marcher en procession, gĂ©nĂ©ralement lors d'une parade ou d'une cĂ©rĂ©monieÂ
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
défile
1e persoon meervoud
défilons
1e persoon toekomende tijd
défilerai
onvoltooid deelwoord
défilant
voltooid deelwoord
défilé
1e persoon meervoud imperfectum
défilions
Voorbeelden
Les soldats dĂ©filent pour la fĂȘte nationale.Â
De soldaten marcheren voor de nationale feestdag.
02
optochten, demonstreren
marcher en groupe pour exprimer une opinion ou protesterÂ
Voorbeelden
Les citoyens ont dĂ©filĂ© pour demander des rĂ©formes.Â
De burgers trokken in een optocht om hervormingen te eisen.
03
defileren, in een rij voorbijgaan
passer en file ou successivement devant quelqu'un ou quelque choseÂ
Voorbeelden
Les voitures dĂ©filent lentement sur la route principale.Â
De auto's rijden langzaam over de hoofdweg.
04
uitrollen, uittrekken
tirer un fil ou une corde hors de quelque chose, souvent progressivementÂ
Voorbeelden
Elle dĂ©file le fil de l'aiguille pour commencer Ă coudre.Â
Ze trekt de draad van de naald om te beginnen met naaien.



























