Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to disgrace
01
te schande maken, onteren
to bring shame or dishonor on oneself or other people
Transitive: to disgrace sb/sth | to disgrace oneself
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
disgrace
3e persoon enkelvoud
disgraces
onvoltooid deelwoord
disgracing
onvoltooid verleden tijd
disgraced
voltooid deelwoord
disgraced
Voorbeelden
The politician 's corrupt actions disgraced the entire government.
De corrupte acties van de politicus hebben schande gebracht over de hele regering.
02
te schande maken, in diskrediet brengen
to lead someone to lose respect, honor, or a valued position
Transitive: to disgrace sb/sth
Voorbeelden
His dishonesty during the investigation disgraced him in the eyes of his colleagues.
Zijn oneerlijkheid tijdens het onderzoek heeft hem in diskrediet gebracht in de ogen van zijn collega's.
Disgrace
01
schande, oneer
a state of dishonor
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
disgraces
Lexicale Boom
disgraced
disgrace
grace



























