disgrace
dis
dɪs
dis
grace
ˈgreɪs
greis
/dɪsɡɹˈe‍ɪs/

Definitie en betekenis van "disgrace"in het Engels

to disgrace
01

te schande maken, onteren

to bring shame or dishonor on oneself or other people
Transitive: to disgrace sb/sth | to disgrace oneself
to disgrace definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
disgrace
3e persoon enkelvoud
disgraces
onvoltooid deelwoord
disgracing
onvoltooid verleden tijd
disgraced
voltooid deelwoord
disgraced
Voorbeelden
The politician 's corrupt actions disgraced the entire government.
De corrupte acties van de politicus hebben schande gebracht over de hele regering.
02

te schande maken, in diskrediet brengen

to lead someone to lose respect, honor, or a valued position
Transitive: to disgrace sb/sth
Voorbeelden
His dishonesty during the investigation disgraced him in the eyes of his colleagues.
Zijn oneerlijkheid tijdens het onderzoek heeft hem in diskrediet gebracht in de ogen van zijn collega's.
01

schande, oneer

a state of dishonor
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
disgraces
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store