Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vloeken, schelden
Gefrustreerd door de situatie begon hij hard te vloeken, zijn woede uitte.
vervloeken, beheksen
De heks vervloekte de slechte koning vanwege zijn wreedheid.
vervloeken, vloeken
Ze vervloekte haar geluk toen ze de bus met seconden miste.
vervloeken, excommuniceren
De bisschop besloot de ketter die valse leringen onder de gemeente verspreidde te vervloeken.
vloek, scheldwoord
Hij slaakte een vloek toen hij zijn teen stootte.
vloek, vervloeking
De heks legde een vloek op de hebzuchtige huisbaas.
vloek, betovering
Zij geloofde dat er een vloek over haar huis was uitgesproken.
vloek, plaag
Armoede voelde als een vloek op het kleine stadje.
vloek, plaag
Hebzucht was de vloek van de familie voor generaties.
Lexicale Boom



























