Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to border
01
begrenzen, omranden
to form a boundary around something
Transitive: to border an area
Voorbeelden
The fence bordered the property, marking the limits of the backyard.
Het hek omringde het perceel en markeerde de grenzen van de achtertuin.
02
omzomen, versieren met een rand
to add a decorative edge to something for embellishment or style
Transitive: to border sth
Voorbeelden
He bordered the photograph with a thick black line for a striking effect.
Hij omlijnde de foto met een dikke zwarte lijn voor een opvallend effect.
03
De regio grenst aan een woestijn, wat invloed heeft op het klimaat en de landbouw.
to be the neighboring country or region next to another, sharing a line
Transitive: to border a region or country
Voorbeelden
The small country of Luxembourg borders Belgium, France, and Germany.
Het kleine land Luxemburg grenst aan België, Frankrijk en Duitsland.
04
grenzen aan, aanpalend zijn
to share a boundary or be directly adjacent to something
Transitive: to border on an area
Voorbeelden
Her property borders on a nature reserve, providing privacy and tranquility.
Haar eigendom grenst aan een natuurreservaat, wat privacy en rust biedt.
Border
01
the edge or limit of a surface
Voorbeelden
The rug 's border was slightly frayed.
1.1
grens, grenslijn
a line that separates two countries, provinces, or states from each other
Voorbeelden
The fence marks the border between the two properties, ensuring clear demarcation.
Het hek markeert de grens tussen de twee eigendommen, wat zorgt voor een duidelijke afbakening.
02
a narrow strip of soil used for growing flowers, shrubs, or similar plants
Voorbeelden
She tended the flower border every morning.
03
a strip forming the outer edge of an object or area
Voorbeelden
The page 's border contained tiny decorative symbols.
04
an ornamental edge with raised or recessed patterns
Voorbeelden
Plaster borders ran along the tops of the walls.
Lexicale Boom
bordered
border



























