Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to weigh
01
wegen, een gewicht hebben van
to have a specific weight
Linking Verb
Voorbeelden
How much do these apples weigh on the scale?
Hoeveel wegen deze appels op de weegschaal?
02
afwegen, evalueren
to consider all the possible outcomes and different aspects of something before making a definite decision
Transitive: to weigh consequence or impact of something
Voorbeelden
In business decisions, entrepreneurs need to weigh the potential risks and benefits to make informed choices.
In zakelijke beslissingen moeten ondernemers de potentiële risico's en voordelen afwegen om geïnformeerde keuzes te maken.
03
wegen, het gewicht meten van
to discover how heavy someone or something is
Transitive: to weigh sb/sth
Voorbeelden
The butcher will weigh the meat to calculate the price.
De slager zal het vlees wegen om de prijs te berekenen.
04
wegen, tellend zijn
to be significant or deserving of attention or thought due to its importance or impact
Intransitive
Voorbeelden
Her contribution to the research weighs heavily in the success of the project.
Haar bijdrage aan het onderzoek weegt zwaar in het succes van het project.
05
drukken, belasten
to apply pressure or force on something, as though using a heavy weight
Intransitive: to weigh on sth
Voorbeelden
The large stone weighed on the door, preventing it from closing properly.
De grote steen drukte op de deur, waardoor deze niet goed kon sluiten.
Lexicale Boom
weigher
weighing
weigh



























