Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ansetzen
01
schatten, ramen
Eine Menge, Zeit oder Position vorläufig festlegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
setzen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
setze an
3e persoon enkelvoud
setzt an
onvoltooid deelwoord
ansetzend
onvoltooid verleden tijd
setzte an
voltooid deelwoord
angesetzt
Voorbeelden
Wir setzen die Besprechung auf 15 Uhr an.
We plannen de vergadering om 15 uur.
02
beginnen
Mit einer Handlung oder Bewegung beginnen
Voorbeelden
Der Läufer setzte zum Sprint an.
De hardloper zette aan voor de sprint.
03
uitlopen, beginnen uit te lopen
Pflanzen beginnen, Knospen oder Früchte zu bilden
Voorbeelden
Die Obstbäume setzen im April Blüten an.
De fruitbomen beginnen bloemen te vormen in april.
04
bevestigen, toevoegen
Etwas an einer bestimmten Stelle befestigen oder hinzufügen
Voorbeelden
Er setzte eine neue Klinge an das Messer an.
Hij heeft een nieuw mes aangebracht op het mes.



























