Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
glacer
01
bevriezen, invriezen
transformer un liquide ou un aliment en glace, ou le rendre très froid
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
glace
1e persoon meervoud
glacons
1e persoon toekomende tijd
glacerai
voltooid deelwoord
glacé
1e persoon meervoud imperfectum
glacions
Voorbeelden
Elle glace le sorbet avant de le servir.
Ze vriest het sorbet in voordat ze het serveert.
02
glaceren, met glazuur bedekken
recouvrir un aliment, un dessert ou une pâtisserie d'une fine couche de sucre, de glaçage ou de sirop sucré pour décorer ou sucrer
Voorbeelden
Elle glace les donuts avec du sucre glace.
Ze glazuurt de donuts met poedersuiker.
03
koelen, bevriezen
rendre un aliment, une boisson ou un plat très froid
Voorbeelden
Elle glace le vin avant de le servir.
Koelt de wijn af voordat hij geserveerd wordt.
04
koelen, bevriezen
remplir quelqu'un d'effroi, de peur ou de découragement, le rendre soudainement froid ou inquiet
Voorbeelden
La nouvelle de l'accident a glacé les parents.
Het nieuws van het ongeluk bevroor de ouders.



























