Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
treiben
01
beoefenen, uitoefenen
Aktiv etwas ausüben
Voorbeelden
Ich weiß nicht, was sie gerade treiben.
Ik weet niet wat ze doen.
02
drijven, aanzetten
Etwas oder jemanden in eine Richtung bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
treibe
3e persoon enkelvoud
treibt
onvoltooid deelwoord
treibend
onvoltooid verleden tijd
trieb
voltooid deelwoord
getrieben
Voorbeelden
Die Polizei treibt die Demonstranten zurück.
De politie drijft de demonstranten terug.
03
duwen, aanzetten
Jemanden zu etwas bringen
Voorbeelden
Die Angst trieb ihn zur Lüge.
Angst dreef hem tot liegen.
04
inslaan, hameren
Mit Kraft in etwas hineinschlagen
Voorbeelden
Ich habe den Schlüssel ins Schloss getrieben.
Ik heb de sleutel in het slot geduwd.
Das Treiben
01
drukte, bedrijvigheid
Haben von geschäftiger oder lebhafter Aktivität
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Treibens
meervoudsvorm
Treiben
Voorbeelden
Vor dem Fest herrscht viel Treiben.
Voor het feest heerst er veel bedrijvigheid.



























