Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
klein, minuscuul
de taille ou de dimension réduite
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
le plus petit
vergrotende trap
plus petit
gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
petit
mannelijk meervoud
petits
vrouwelijk enkelvoud
petite
vrouwelijk meervoud
petites
Voorbeelden
C'est un petit chat.
Het is een kleine kat.
02
kort, klein
qui a une faible taille en hauteur ou en longueur
Voorbeelden
Il est petit pour son âge.
03
klein, onbelangrijk
qui est mineur, sans grande importance, ou insignifiant
Voorbeelden
Ce n'est qu'un petit problème.
Klein is slechts een klein probleem.
04
klein, kleintje
qui désigne une faible quantité ou un faible volume
Voorbeelden
Il a bu une petite quantité d'eau.
Hij dronk een kleine hoeveelheid water.
05
onbekend, onbekend
qui n'est pas connu, reconnu ou important dans la société
Voorbeelden
Il vient d'un petit village que personne ne connaît.
Hij komt uit een klein dorp dat niemand kent.
06
slank, teer
qui est de constitution fine ou fragile
Voorbeelden
C'est une petite femme très énergique.
Ze is een zeer energieke kleine vrouw.
07
licht, zwak
qui a une faible intensité, force ou importance
Voorbeelden
Une petite pluie est tombée dans l'après-midi.
Een lichte regen viel in de middag.
Le petit
01
kort persoon, dwerg
personne de taille inférieure à la moyenne
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
petits
Voorbeelden
C'est un petit, mais il court très vite.
Hij is een klein persoon, maar hij rent heel snel.
02
kind, kleintje
enfant ou jeune personne , souvent utilisé de façon affectueuse
Voorbeelden
Les petits jouent dans le jardin.
De kleintjes spelen in de tuin.
03
jong, jong dier
jeune animal , petit de… (utilisé de façon générale quand on ne précise pas l'espèce)
Voorbeelden
Le petit suit sa mère partout.
Het jong volgt zijn moeder overal.



























