Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
laag, kort
qui a une faible hauteur
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
le plus bas
vergrotende trap
plus bas
gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
bas
mannelijk meervoud
bas
vrouwelijk enkelvoud
basse
vrouwelijk meervoud
basses
Voorbeelden
Le plafond est bas dans cette pièce.
Het plafond is laag in deze kamer.
02
laag, verlaagd
qui a une faible quantité, un niveau ou une intensité réduite
Voorbeelden
Le prix est bas cette semaine.
De prijs is laag deze week.
03
neerslachtig, met gebogen hoofd
qui est abaissé, regard ou posture montrant tristesse ou honte
Voorbeelden
Il marche la tête basse.
Hij loopt met zijn hoofd gebuigd.
04
laag, diep
qui a un son de fréquence faible ou un volume réduit
Voorbeelden
Il a une voix basse et douce.
Hij heeft een lage en zachte stem.
bas
01
laag, naar beneden
indique une position ou un mouvement vers une position basse
grammaticale informatie
Voorbeelden
L'avion vole bas au-dessus des arbres.
Het vliegtuig vliegt laag boven de bomen.
02
langzaam, zachtjes
indique une action faite doucement ou lentement
Voorbeelden
Il parle bas pour ne pas déranger.
Hij spreekt zacht om niet te storen.
Les bas
01
kousen, lange kousen
vêtement féminin couvrant le pied et la jambe, souvent transparent et long
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
bas
Voorbeelden
Elle porte des bas noirs avec sa robe.
Ze draagt zwarte kousen met haar jurk.
02
onderste deel, bodem
la partie inférieure ou la position basse de quelque chose
Voorbeelden
En bas, il y a un jardin.
Beneden is er een tuin.



























