avancer
01
vooruitgaan, vorderen
faire des progrès, progresser dans un domaine
Voorbeelden
Ses compétences en programmation avancent bien.
Zijn programmeervaardigheden vorderen goed.
02
vooruitgaan, vorderen
se déplacer vers l'avant
Voorbeelden
Les soldats avancent vers le front.
De soldaten rukken op naar het front.
03
vooruitgaan, bevorderen
faire progresser quelque chose
Voorbeelden
Les négociations ont avancé nos intérêts.
De onderhandelingen hebben onze belangen bevorderd.
04
voorschieten, vooruitbetalen
payer à l'avance
Voorbeelden
La banque m' a avancé 5000€.
De bank heeft me 5000€ voorgeschoten.
05
voorlopen
indiquer une heure plus avancée que l'heure réelle (pour une horloge ou montre)
Voorbeelden
Toutes les pendules de la gare avancent de trois minutes.
Alle klokken in het station lopen drie minuten voor.
06
vooruitzetten, vervroegen
régler une montre en avance
Voorbeelden
N' oubliez pas d' avancer vos montres ce soir.
Vergeet niet vanavond uw horloges vooruit te zetten.



























