Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Voorbeelden
The fear of failure held him back from pursuing his dreams.
De angst voor mislukking hield hem tegen om zijn dromen na te jagen.
02
a general sense of anxiety or worry, not necessarily tied to an immediate danger
Voorbeelden
The team worked under fear of losing funding.
03
a feeling of profound respect, reverence, or awe
Voorbeelden
Fear of the king's judgment was present among all subjects.
to fear
01
vrezen, bang zijn
to feel anxious or afraid about a likely situation or event
Transitive: to fear that
Voorbeelden
They feared the company ’s layoffs would affect their jobs.
Ze vreesden dat de ontslagen bij het bedrijf hun banen zouden beïnvloeden.
02
vrezen, bang zijn voor
to be scared of someone or something
Transitive: to fear a situation or event
Voorbeelden
The children feared the thunderstorm and huddled together for comfort.
De kinderen vreesden de onweersbui en kropen dicht tegen elkaar aan voor troost.
03
vrezen, zich zorgen maken
to feel regret or concern when delivering bad news or an apology
Transitive: to fear that
Voorbeelden
She fears there is n’t enough time to finish the project.
Ze vrees dat er niet genoeg tijd is om het project af te ronden.
04
vrezen, vereren
to show deep respect and admiration for God
Transitive: to fear God
Voorbeelden
To fear God is to recognize His greatness and authority.
God vrezen is Zijn grootheid en gezag erkennen.
05
vrezen, bang zijn
to feel worried or nervous about an upcoming event or situation
Transitive: to fear an upcoming event or situation
Voorbeelden
She feared the worst when the phone rang late at night.
Ze vreesde het ergste toen de telefoon laat in de nacht ging.



























