Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to buck up
01
opbeuren, aanmoedigen
to encourage someone when they are sad or discouraged
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
buck
tegenwoordige tijd
buck up
3e persoon enkelvoud
bucks up
onvoltooid deelwoord
bucking up
onvoltooid verleden tijd
bucked up
voltooid deelwoord
bucked up
Voorbeelden
The supportive gesture was enough to buck up their spirits.
Het ondersteunende gebaar was genoeg om hun moraal op te vijzelen.
02
moed verzamelen, opmonteren
to find courage to face challenges and improve one's mood
Voorbeelden
Friends can be a great support system to help you buck up during tough times.
Vrienden kunnen een geweldig ondersteuningssysteem zijn om je te helpen op te monteren in moeilijke tijden.
03
opbeuren, de stemming verbeteren
to bring improvement to a situation
Voorbeelden
After a tough day, a cup of tea can really buck your mood up.
Na een zware dag kan een kopje thee echt je humeur verbeteren.
04
doorsturen, opsturen
to send a matter or problem to someone in charge to handle or make a decision
Voorbeelden
Sometimes, it's necessary to buck up financial matters to the finance committee.
Soms is het nodig om financiële zaken naar de financiële commissie door te sturen.



























