Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
de rest, het overige deel
Nadat ze haar maaltijd had afgemaakt, legde ze de rest van het eten in de koelkast.
rust
Na een lange dag werken had hij wat rust nodig om op te laden.
rust, pauze
Hij neemt meestal rust na thuiskomst van zijn werk.
rust, stilte
steun, ondersteuning
rust, pauze
eeuwige rust, laatste slaap
rusten, ontspannen
Na een lange dag werken, rust ik graag uit op de bank en kijk tv.
rusten, steunen
Het beeld rust stevig op een marmeren voetstuk in de galerij.
rusten, uitrusten
Hij deed een kort dutje om zijn ogen te rusten na een lange dag van lezen.
uitstellen, onopgelost laten
Het debat over het nieuwe beleid rust voorlopig, omdat niemand een oplossing heeft voorgesteld.
rusten, berusten
De uiteindelijke beslissing rust bij de manager.
blijven, verkeren
Ondanks de storm bleef haar vertrouwen onwrikbaar.
leggen, ondersteunen
Hij zette het boek op de tafel terwijl hij naar zijn bril zocht.
blijven, rusten
De commissie stemde in met rusten en het uitstellen van verdere beslissingen.
Lexicale Boom



























