Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
woedend, razend
extremely angry, furious, or emotionally agitated
Voorbeelden
He became livid when he realized his flight had been canceled without any prior notice.
Hij werd woedend toen hij besefte dat zijn vlucht zonder enige voorafgaande kennisgeving was geannuleerd.
Voorbeelden
The doctor noticed her livid complexion and immediately checked her pulse.
De dokter merkte haar bleke teint op en controleerde onmiddellijk haar pols.
03
lijkbleek, spookachtig gloeiend
emitting a cold, ghastly glow suggestive of death or lifelessness
Voorbeelden
A livid radiance flickered across the battlefield at dawn.
Een lichte glans flikkerde over het slagveld bij zonsopgang.
04
livid, paarsachtig
marked by purplish discoloration caused by blood trapped beneath the surface
Voorbeelden
The livid mark spread across his cheek.
De blauwachtige vlek verspreidde zich over zijn wang.
05
loodkleurig, grauw
displaying a dull bluish‑gray hue of medium intensity
Voorbeelden
The sea turned a livid hue before the storm.
De zee kreeg een vaal kleur voor de storm.
Lexicale Boom
lividly
lividness
livid



























