Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
baisser
01
verlagen, verminderen
mettre quelque chose plus bas
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
baisse
1e persoon meervoud
baissons
1e persoon toekomende tijd
baisserai
onvoltooid deelwoord
baissant
voltooid deelwoord
baissé
1e persoon meervoud imperfectum
baissions
Voorbeelden
Il baisse la vitre de la voiture.
Hij verlaagt het autoraam.
02
verlagen, verminderen
réduire la quantité, le niveau ou l'intensité de quelque chose
Voorbeelden
Le gouvernement a baissé les taxes cette année.
De regering heeft de belastingen dit jaar verlaagd.
03
dalen, afnemen
devenir plus bas ou moins important
Voorbeelden
La température baisse en hiver.
De temperatuur daalt in de winter.
04
dalen, afnemen
devenir moins bon ou moins efficace
Voorbeelden
Sa santé a baissé après la maladie.
Zijn gezondheid is verslechterd na de ziekte.
05
zich bukken, voorover buigen
plier le corps vers le bas
Voorbeelden
Il se baisse pour ramasser le livre.
Hij buigt om het boek op te rapen.
06
verlagen, buigen
mettre une partie du corps plus bas que sa position normale
Voorbeelden
Il a baissé la tête en signe de respect.
Hij boog zijn hoofd als teken van respect.



























