Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
agir
01
handelen, doen
faire quelque chose ou prendre une décision pour produire un effet
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
agis
1e persoon meervoud
agissons
1e persoon toekomende tijd
agirai
onvoltooid deelwoord
agissant
voltooid deelwoord
agi
1e persoon meervoud imperfectum
agissions
Voorbeelden
Les autorités vont agir pour protéger les citoyens.
De autoriteiten zullen handelen om de burgers te beschermen.
02
zich gedragen, handelen
se comporter d'une certaine manière envers quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
Comment dois - tu agir avec ce client difficile ?
Hoe moet je handelen met deze moeilijke klant?
03
werken, invloed hebben
produire un effet ou une influence sur quelque chose ou quelqu'un
Voorbeelden
Le vent agit sur les feuilles des arbres.
De wind werkt op de bladeren van de bomen.
04
gaan over, betreffen
porter sur un sujet ou concerner quelque chose
Voorbeelden
De quoi s' agit -il dans ce document ?
Waar gaat dit document over?



























