Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
agitar
01
schudden
mover algo de un lado a otro con fuerza o rapidez
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
agito
3e persoon enkelvoud
agita
onvoltooid deelwoord
agitando
onvoltooid verleden tijd
agitó
voltooid deelwoord
agitado
Voorbeelden
El viento agitaba las ramas del árbol.
De wind schudde de takken van de boom.
02
zwaaien, klapperen
mover algo repetidamente de un lado a otro, especialmente alas o extremidades
Voorbeelden
La mariposa agitaba sus alas de colores.
De vlinder bewoog zijn kleurrijke vleugels.
03
ruisen
producir un sonido suave y crujiente al mover hojas, papel u objetos similares
Voorbeelden
La bolsa agitaba suavemente mientras caminaba.
De tas ruisde zachtjes terwijl hij liep.
04
opgewonden raken, zich zorgen maken
moverse rápidamente o excitadamente, especialmente por emoción, preocupación o nervios
Voorbeelden
Se agitaba tratando de encontrar una solución rápida.
Hij was onrustig terwijl hij probeerde een snelle oplossing te vinden.



























