Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
encoger
01
krimpen, samentrekken
hacer que algo se vuelva más pequeño, especialmente por lavado o calor
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
encojo
3e persoon enkelvoud
encoge
onvoltooid deelwoord
encogiendo
onvoltooid verleden tijd
encogí
voltooid deelwoord
encogido
Voorbeelden
El algodón suele encoger después del primer lavado.
Katoen krimpt meestal na de eerste wasbeurt.
02
zich krommen, zich bukken
doblar o encoger el cuerpo, especialmente los hombros o la espalda
Voorbeelden
El anciano se encogía para proteger su espalda.
De oude man kromp ineen om zijn rug te beschermen.
03
inkrimpen, zich uit angst ineenkrimpen
hacer un movimiento de recogerse o disminuirse por miedo, frío o inseguridad
Voorbeelden
Me encogí de miedo durante la película de terror.
Ik kromp ineen van angst tijdens de horrorfilm.



























