Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hand, poot
Hij gaf me een high-five, zijn hand tegen de mijne slaand.
wijzer, klokwijzer
De wijzer bewoog langzaam rond de wijzerplaat.
Hij had een sterke hand met drie azen en twee koningen.
landarbeider, boerderijarbeider
De ranch huurde verschillende arbeiders in voor de oogst.
handschrift, kalligrafie
Ze bewonderde het mooie handschrift in de oude brieven.
vaardigheid, handigheid
Ze heeft een vaste hand in onderhandelingen.
zijde, flank
De handgreep is bevestigd aan de zijde van de lade.
kant, positie
Hij verkoos de voorzichtige hand bij het beslissen.
hand, hulp
Ze gaf hem een hand bij het dragen van de zware dozen.
hand, poot
De aap gebruikte zijn hand om takken vast te grijpen.
applaus, ovatie
Het publiek gaf applaus na de voorstelling.
speler, deelnemer
Elke speler aan tafel wisselde af met bieden.
matroos, bemanningslid
De bemanning werkte tijdens de storm op het dek.
hand, handbreedte
Het paard was vijftien handen hoog.
hand, ronde
Hij won de eerste ronde van het bridge-spel.
handwerk, handgemaakt werk
De stof was versierd met fijn handborduurwerk.
overhandigen, aangeven
Kun je me het document aangeven?
begeleiden, aan de hand houden
De leraar hield de hand van de leerlingen vast terwijl ze door het museum liepen.
Lexicale Boom



























