Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
neerdrukken, ontmoedigen
Het nieuws van de ontslagen deed hem verdriet, en hij voelde zich gedemotiveerd.
losgaan, genieten
Het publiek op het concert wist echt hoe ze los moesten gaan en de hele nacht moesten dansen.
bukken, in dekking gaan
Toen het alarm afging, moest iedereen gaan liggen op de grond als veiligheidsmaatregel.
naar beneden halen, laten dalen
Ze waren van plan de ladder naar beneden te halen om de lamp te vervangen.
slikken, innemen
Het was een strijd voor hem om de grote pil zonder water door te slikken.
opschrijven, vastleggen
Ze bracht uren door met het opschrijven van de tekst voor het nieuwe liedje waar ze aan werkte.
afkomen, van tafel opstaan
Het is essentieel om kinderen te leren te wachten tot iedereen klaar is met eten voordat ze van tafel gaan.
afdalen, neerbuigen
Hij moest voorzichtig van de ladder afkomen om een ongeluk te voorkomen.



























