Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Couple
Voorbeelden
The couple, deeply in love, exchanged vows.
Het stel, diep verliefd, wisselde geloften uit.
02
paar, koppel
two items of the same kind
03
paar, koppel
a pair of things or people
Voorbeelden
They adopted a couple of kittens from the animal shelter.
Ze hebben een paar kittens geadopteerd uit het dierenasiel.
Voorbeelden
I have a couple errands to run before dinner.
Ik heb een paar boodschappen te doen voor het avondeten.
05
koppel, paar
(physics) something joined by two equal and opposite forces that act along parallel lines
to couple
01
koppelen, verbinden
to bring two things or people together
Transitive: to couple two elements
Ditransitive: to couple an element with another
Voorbeelden
The teacher decided to couple theoretical knowledge with practical applications in the lesson.
De leraar besloot theoretische kennis met praktische toepassingen in de les te koppelen.
02
paren, zich voortplanten
to engage in sexual reproduction or mating
Intransitive
Voorbeelden
The biologist observed how insects couple and reproduce in their natural habitat.
De bioloog observeerde hoe insecten paren en zich voortplanten in hun natuurlijke habitat.
03
koppelen, verbinden
to join or connect together to form a pair
Intransitive
Voorbeelden
The wires in the electrical circuit couple when connected.
De draden in het elektrische circuit koppelen wanneer ze verbonden zijn.
Lexicale Boom
couplet
couple



























