Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
casual
01
casual, informeel
(of clothing) comfortable and suitable for everyday use or informal events and occasions
Voorbeelden
His casual outfit consisted of a comfortable hoodie and sweatpants.
Zijn casual outfit bestond uit een comfortabele hoodie en joggingbroek.
02
onbezorgd, onverschillig
marked by a carefree or indifferent manner
Voorbeelden
He responded in a casual manner to the criticism.
Hij reageerde op een informele manier op de kritiek.
03
ontspannen, informeel
without or appearing to be without plan, order, or method
Voorbeelden
He made casual notes in his notebook.
Hij maakte informele aantekeningen in zijn notitieboek.
04
oppervlakkig, ontspannen
done without paying close attention to detail or with a relaxed, superficial approach
Voorbeelden
He offered a casual explanation that lacked depth.
Hij bood een informele uitleg die diepgang miste.
05
toevallig, willekeurig
occurring or selected randomly, by coincidence, or without intention
Voorbeelden
A casual remark sparked the debate.
Een toevallige opmerking ontketende het debat.
06
ontspannen, natuurlijk
not showing effort, strain, or tension
Voorbeelden
The speaker 's casual style engaged the audience.
De ontspannen stijl van de spreker boeide het publiek.
07
tijdelijk, incidenteel
occurring on a temporary, intermittent, or irregular basis
Voorbeelden
She enjoyed casual tutoring sessions.
Ze genoot van de informele bijlessen.
08
onverschillig, nalatig
characterized by a lack of seriousness or responsibility
Voorbeelden
His casual attitude toward safety was dangerous.
Zijn nonchalante houding ten opzichte van veiligheid was gevaarlijk.
09
informeel, ontspannen
(of events, places, or situations) informal and relaxed, without strict rules or expectations
Voorbeelden
It was a casual get-together with friends at the park.
Het was een informele bijeenkomst met vrienden in het park.
Lexicale Boom
casually
casualness
casual



























