Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
brands
Voorbeelden
Apple is known for its innovative products and strong brand identity worldwide.
Apple staat bekend om zijn innovatieve producten en sterke merkidentiteit wereldwijd.
02
merk, label
a recognizable kind
03
merk, stigma
identification mark on skin, made by burning
04
zwaard, brand
a cutting or thrusting weapon that has a long metal blade and a hilt with a hand guard
05
schandvlek, teken van schande
a symbol of disgrace or infamy
06
brandhout, brandend hout
a piece of wood that has been burned or is burning
to brand
01
brandmerken, merken
to mark a distinctive symbol, logo, or trademark onto an object or surface
Transitive: to brand sth
Voorbeelden
The designer carefully branded the packaging to create a recognizable and appealing image.
De ontwerper heeft de verpakking zorgvuldig gebrandmerkt om een herkenbaar en aantrekkelijk beeld te creëren.
02
brandmerken, merken
to imprint or mark livestock with a heated branding iron
Transitive: to brand livestock
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
brand
3e persoon enkelvoud
brands
onvoltooid deelwoord
branding
onvoltooid verleden tijd
branded
voltooid deelwoord
branded
Voorbeelden
The rancher branded each cow with the family emblem for identification.
De veehouder brandmerkte elke koe met het familiewapen voor identificatie.
03
brandmerken, stigmatiseren
to stigmatize or label someone or something with a negative reputation or association
Complex Transitive: to brand sb/sth as sth | to brand sb/sth [adj]
Voorbeelden
The scandalous incident branded him as untrustworthy in the eyes of the community.
Het schandalige voorval merkte hem aan als onbetrouwbaar in de ogen van de gemeenschap.



























