twinkle
twin
ˈtwɪn
tvin
kle
kəl
kēl
/twˈɪŋkə‍l/

Definitie en betekenis van "twinkle"in het Engels

to twinkle
01

twinkelen, schitteren

to emit a flickering or intermittent light, often creating a shimmering or sparkling effect
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
twinkle
3e persoon enkelvoud
twinkles
onvoltooid deelwoord
twinkling
onvoltooid verleden tijd
twinkled
voltooid deelwoord
twinkled
Voorbeelden
The Christmas lights twinkle on the tree, adding a festive glow.
De kerstlichtjes twinkelen in de boom, wat een feestelijke gloed toevoegt.
02

twinkelen, schitteren

to shine with a flickering or sparkling light
Voorbeelden
The Christmas lights twinkle festively on the tree.
De kerstverlichting twinkelt feestelijk aan de boom.
01

vonkeling, twinkeling

a happy or playful sparkle in someone's eyes
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
twinkles
Voorbeelden
He smiled with a twinkle in his eye.
Hij glimlachte met een vonkeling in zijn ogen.
02

fonkeling, flits

a rapid change in brightness; a brief spark or flash
03

ogenblik, moment

a moment so brief that it seems to pass almost instantly
Voorbeelden
The idea came and went in a twinkle.
Het idee kwam en ging in een oogwenk.

Lexicale Boom

twinkler
twinkling
twinkling
twinkle
App
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store