Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to believe
01
geloven, vertrouwen
to accept something to be true even without proof
Transitive: to believe sth | to believe that
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
believe
3e persoon enkelvoud
believes
onvoltooid deelwoord
believing
onvoltooid verleden tijd
believed
voltooid deelwoord
believed
Voorbeelden
I believed her excuses for missing the meeting.
Ik geloofde haar excuses voor het missen van de vergadering.
1.1
geloven, geloof hebben
to have a religious belief or faith
Intransitive: to believe | to believe in a faith
Voorbeelden
She believes in God and attends church every Sunday.
Ze gelooft in God en gaat elke zondag naar de kerk.
1.2
geloven, vertrouwen
to have confidence that someone's statement is true
Transitive: to believe sb
Voorbeelden
She claims she can fix it, but I don't believe her.
Ze beweert dat ze het kan repareren, maar ik geloof haar niet.
02
geloven, denken
to hold an opinion that something is the case
Transitive: to believe that
Voorbeelden
She believes that art can inspire social change.
Zij gelooft dat kunst sociale verandering kan inspireren.
2.1
geloven, denken
to think something is true, even if one is not completely sure
Transitive: to believe that
Voorbeelden
'Did they finish the project on time?' 'I believe they did.'
'Hebben ze het project op tijd afgerond?' 'Ik geloof van wel.'
Lexicale Boom
belief
believable
believer
believe



























