to believe
be
bi
lieve
ˈli:v
liv
bereavedeceiverelievereprieve

Definitie en betekenis van "believe"in het Engels

to believe
01

geloven, vertrouwen

to accept something to be true even without proof 
Transitive: to believe sth | to believe that
to believe definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
believe
3e persoon enkelvoud
believes
onvoltooid deelwoord
believing
onvoltooid verleden tijd
believed
voltooid deelwoord
believed
Voorbeelden
I believed her excuses for missing the meeting. 

Ik geloofde haar excuses voor het missen van de vergadering.

1.1

geloven, geloof hebben

to have a religious belief or faith 
Intransitive: to believe | to believe in a faith
Voorbeelden
She believes in God and attends church every Sunday. 

Ze gelooft in God en gaat elke zondag naar de kerk.

1.2

geloven, vertrouwen

to have confidence that someone's statement is true 
Transitive: to believe sb
Voorbeelden
She claims she can fix it, but I don't believe her. 

Ze beweert dat ze het kan repareren, maar ik geloof haar niet.

02

geloven, denken

to hold an opinion that something is the case 
Transitive: to believe that
to believe definition and meaning
Voorbeelden
She believes that art can inspire social change. 

Zij gelooft dat kunst sociale verandering kan inspireren.

2.1

geloven, denken

to think something is true, even if one is not completely sure 
Transitive: to believe that
Voorbeelden
'Did they finish the project on time?' 'I believe they did.' 

'Hebben ze het project op tijd afgerond?' 'Ik geloof van wel.'

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store