Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to believe
01
geloven, vertrouwen
to accept something to be true even without proof
Transitive: to believe sth | to believe that
Voorbeelden
I find it hard to believe that she won the lottery twice in a row.
Ik vind het moeilijk te geloven dat ze twee keer achter elkaar de loterij heeft gewonnen.
1.1
geloven, geloof hebben
to have a religious belief or faith
Intransitive: to believe | to believe in a faith
Voorbeelden
The spirits grant their blessings to those who believe.
De geesten verlenen hun zegeningen aan hen die geloven.
1.2
geloven, vertrouwen
to have confidence that someone's statement is true
Transitive: to believe sb
Voorbeelden
He assured me he 'd return the book tomorrow, and I 'm willing to believe him.
Hij verzekerde me dat hij het boek morgen zou terugbrengen, en ik ben bereid hem te geloven.
02
geloven, denken
to hold an opinion that something is the case
Transitive: to believe that
Voorbeelden
I 'm starting to believe kindness can truly make a difference.
Ik begin te geloven dat vriendelijkheid echt een verschil kan maken.
2.1
geloven, denken
to think something is true, even if one is not completely sure
Transitive: to believe that
Voorbeelden
Experts believe that the disease is caused by a certain virus.
Deskundigen geloven dat de ziekte wordt veroorzaakt door een bepaald virus.
Lexicale Boom
belief
believable
believer
believe



























