Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to bear on
01
belasten, beïnvloeden
to affect someone or something, particularly in a burdensome way
Transitive: to bear on sb/sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
on
basiswerkwoord
bear
tegenwoordige tijd
bear on
3e persoon enkelvoud
bears on
onvoltooid deelwoord
bearing on
onvoltooid verleden tijd
bore on
voltooid deelwoord
borne on
Voorbeelden
The tragic incident continues to bear on the community's well-being.
Het tragische incident blijft doorwerken op het welzijn van de gemeenschap.
02
betrekking hebben op, verband houden met
to be related to a particular situation or topic
Transitive: to bear on a situation
Voorbeelden
Scientific research findings often bear on the medical field's advancements.
Wetenschappelijke onderzoeksresultaten hebben vaak betrekking op vooruitgang in het medische veld.
03
motiveren, aanmoedigen
to motivate someone to start or finish an activity
Transitive: to bear on sb
Ditransitive: to bear on sb to do sth
Voorbeelden
The cheering crowd bore on the athlete to give their best performance.
De juichende menigte spoorde de atleet aan om hun beste prestatie te leveren.
04
handhaven, bewaren
to ensure that something stays the same or unchanged over time
Transitive: to bear on sth
Voorbeelden
The decision to bear on the original architecture was met with unanimous approval.
Het besluit om de oorspronkelijke architectuur te handhaven werd met unanieme goedkeuring ontvangen.



























