Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to relate
01
relateren, een verband leggen
to make or show a logical connection between two things
Ditransitive: to relate sth to sth
Voorbeelden
In her presentation, the speaker related economic trends to the global market, providing valuable insights for the audience.
02
relateren, gerelateerd zijn
to be linked or connected in a cause-and-effect relationship
Transitive: to relate to a cause or outcome
Voorbeelden
In the field of psychology, certain behaviors may relate to underlying emotional experiences.
Op het gebied van psychologie kunnen bepaalde gedragingen verband houden met onderliggende emotionele ervaringen.
03
vertellen, verhalen
to narrate or recount a story, event, or series of events
Transitive: to relate a narrative
Voorbeelden
During the interview, the witness related the sequence of events with clarity.
Tijdens het interview vertelde de getuige de volgorde van de gebeurtenissen met duidelijkheid.
04
verwant zijn, een familierelatie hebben
to have a familial connection through shared ancestry, blood relations, or marriage
Intransitive: to relate through a common factor
Voorbeelden
The genealogical study revealed distant relatives who relate through common ancestors and lineage.
Het genealogisch onderzoek onthulde verre familieleden die gerelateerd zijn door gemeenschappelijke voorouders en afstamming.
05
relateren, verbinden
to establish a meaningful connection or relationship with someone based on shared experiences, emotions, or understanding
Transitive: to relate to sb | to relate to someone's emotions
Voorbeelden
Employees in the small company often relate closely to each other, creating a tight-knit work environment.
Medewerkers in het kleine bedrijf relateren vaak nauw aan elkaar, wat een hechte werkomgeving creëert.
Lexicale Boom
relatable
related
relation
relate
rel



























