Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to let go
01
loslaten, vrijgeven
to release one's grip on something
Intransitive: to let go | to let go of sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
go
basiswerkwoord
let
tegenwoordige tijd
let go
3e persoon enkelvoud
lets go
onvoltooid deelwoord
letting go
onvoltooid verleden tijd
let go
voltooid deelwoord
let go
Voorbeelden
He reluctantly let go of the balloon, watching it float away into the sky.
Hij liet met tegenzin de ballon los, terwijl hij hem weg zag drijven in de lucht.
02
ontslaan, loslaten
to dismiss someone from their job or employment, often due to poor performance or misconduct
Transitive: to let go an employee
Voorbeelden
The manager decided to let her go due to repeated policy violations.
De manager besloot haar te laten gaan vanwege herhaalde beleidsovertredingen.
03
ontspannen, loslaten
to free oneself from tension or anxiety and be more relaxed instead
Intransitive
Voorbeelden
Engaging in a favorite hobby can be a way to let go and unwind after a challenging day.
Je bezighouden met een favoriete hobby kan een manier zijn om los te laten en te ontspannen na een uitdagende dag.
to let oneself go
01
zichzelf verwaarlozen, zich laten gaan (negatief)
to stop caring for one's physical appearance, hygiene, or mental well-being
idioom
Voorbeelden
After the breakup, he began to let himself go.
Na de breuk begon hij zichzelf te verwaarlozen.
02
to behave in a way one desires without worrying about other's opinions
idioom
Voorbeelden
She lets herself go and dances freely at the party, expressing her joy without concern for how others perceive her.



























